De terugkeer van het gevolgencriterium?

Op 22 maart 2016 heeft het Gerechtshof Den Haag een arrest gewezen, waarin de gevolgen van het ontslag voor de werkneemster worden meegewogen in de berekening van de billijke vergoeding. Is de door de wetgever beoogde (permanente) vakantie van het gevolgencriterium geannuleerd?

Achtergrond

Met de inwerkingtreding van de WWZ zijn de ontbindingsvergoeding (de kantonrechtersformule) en de schadevergoeding bij kennelijk onredelijk ontslag komen te vervallen. Sinds 1 juli 2015 heeft iedere werknemer recht op een (forfaitaire) transitievergoeding. Doel van de transitievergoeding is het compenseren van het ontslag en het vergemakkelijken van de transitie naar een andere baan. Hierdoor komt, zo blijkt uit de memorie van toelichting, het criterium of het ontslag redelijk is mede in het licht van de gevolgen van het ontslag voor de werknemer en de door de werkgever getroffen voorzieningen om deze gevolgen te verzachten (het gevolgencriterium), te vervallen. Het gevolgencriterium wordt, met andere woorden, geacht te zijn verdisconteerd in de transitievergoeding.

Naast de transitievergoeding heeft de werknemer slechts recht op een (additionele) billijke vergoeding, als sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Over de berekening van de billijke vergoeding heeft de wetgever zich minimaal uitgelaten. De hoogte van de billijke vergoeding dient – naar haar aard – in relatie te staan tot het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Criteria als loon en lengte van het dienstverband hoeven hierbij geen rol te spelen. Daarnaast heeft de wetgever te kennen gegeven dat in de billijke vergoeding uitdrukkelijk niet het gevolgencriterium ligt besloten. De gevolgen van het ontslag worden immers geacht te zijn verdisconteerd in de transitievergoeding.

Het gevolgencriterium leek dus met (permanente) vakantie.

Kantonrechter Dordrecht

In eerste aanleg heeft de Kantonrechter Dordrecht geoordeeld dat de werkgever zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig verwijtbaar handelen. Werkneemster was door een maat (hierna: “P”) van de maatschap onheus bejegend. Dit gedrag bestond uit onacceptabel taalgebruik, vloeken, schelden, tieren, uitlatingen als “ik treiter jou er wel uit”, “ik moet nog drie jaar met dat mens” en het voor haar voeten smijten van dossiers. Werkneemster heeft deze gedragingen aan de orde gesteld bij de werkgever, maar hierop heeft de werkgever niet gereageerd. Ook is de werkgever niet ingegaan op het advies van de arboarts om het gesprek aan te gaan en te zoeken naar oplossingen. De kantonrechter heeft de werkgever veroordeeld tot het betalen van een billijke vergoeding van €50.000 bruto en betrekt daarin – naast de leeftijd, de lengte van het dienstverband, het functioneren en de (ernstige) belediging door de werkgever waardoor de werkneemster zich gedwongen ziet de arbeidsovereenkomst te beëindigen – ook de financiële gevolgen (inkomens- en pensioenschade) voor de werkneemster.

Gerechtshof Den Haag

De werkgever is tegen de beschikking van de kantonrechter in hoger beroep gegaan. Het hof komt, net als de kantonrechter, tot het oordeel dat de werkgever zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig verwijtbaar handelen. Hierdoor heeft de werkneemster recht op een billijke vergoeding. Het hof neemt als uitgangspunt dat de hoogte van de billijke vergoeding wordt vastgesteld met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Daarbij speelt de mate van verwijtbaarheid van het handelen of nalaten van de werkgever een belangrijke rol. De financiële gevolgen van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor de werknemer worden in beginsel gedekt door de transitievergoeding waarop de werknemer in een geval als dit aanspraak zal kunnen maken. Deze gevolgen zullen bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding dan ook, als regel, buiten beschouwing worden gelaten.

Maar, volgens het hof is het denkbaar dat de transitievergoeding, als enige compensatie voor de financiële gevolgen van het ontslag, onder (bijzondere) omstandigheden tekort kan schieten. Zo kan volgens het hof uit de parlementaire geschiedenis niet worden afgeleid dat door de wetgever de situatie onder ogen is gezien waarbij sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van de werkgever en de schade als gevolg van deze ernstige verwijtbaarheid zich openbaart in juist de gevolgen van het ontslag. En juist deze (bijzondere) omstandigheid doet zich in casu voor, aldus het hof. De arbeidsverhouding is namelijk dermate verstoord geraakt door het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, dat werkneemster zich genoodzaakt heeft gezien om op 63-jarige leeftijd, na een langdurig dienstverband van 22 jaren, enkele jaren voor haar pensioendatum, terwijl zij bovendien gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in te dienen. Daarnaast zijn de kansen van werkneemster op de arbeidsmarkt vrijwel nihil. Werkneemster lijdt hierdoor forse inkomens- en pensioenschade.

Het hof berekent dat de werkneemster, na aftrek van de transitievergoeding van €16.184,00 bruto, een financiële schade lijdt van tenminste €73.000,00 bruto. Hierdoor leidt toekenning van alleen de transitievergoeding als compensatie voor de inkomensschade die de ontbinding tot gevolg heeft, tot een onaanvaardbare uitkomst. In een dergelijk geval zal de rechter volgens het hof gehouden zijn bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding rekening te houden met de aan de gedragingen van de werkgever toe te rekenen inkomens- en pensioenschade, voor zover deze het bedrag van de transitievergoeding evident overschrijdt. Het hof haast zich vervolgens te vermelden dat de billijke vergoeding geen volledige vergoeding dient te zijn van de inkomens- en/of pensioenschade. Het hof komt uiteindelijk tot de slotsom dat de billijke vergoeding van €50.000,00 bruto terecht is toegekend door de kantonrechter.

Conclusie

Is het gevolgencriterium terug? Op grond van de beschikking van de Kantonrechter Dordrecht en het arrest van het Gerechtshof Den Haag wel. Er kunnen zich (bijzondere) omstandigheden voordoen waarin de transitievergoeding, als enige compensatie voor  de financiële gevolgen, tekortschiet. Hiervan is sprake als de inkomens- en pensioenschade van de werknemer het bedrag van de transitievergoeding evident overschrijdt. Een overschrijding van €73.000,00 bruto wordt als een evidente overschrijding gezien door het hof.

Hoe billijk de uitkomst voor de werkneemster in deze zaak ook mag zijn, het is maar de vraag of deze berekeningswijze in overeenstemming is met de ontslagvergoedingensystematiek en de bedoeling van de wetgever. Tot die tijd zal het gevolgencriterium bij de douane op Schiphol moeten afwachten of het wordt toegelaten, of teruggestuurd door de Hoge Raad.

Gerechtshof Den Haag, 22 maart 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:715

Ruud Schepers
Advocaat Arbeidsrecht
ruud.schepers@kvdl.nl

 

Share on LinkedInTweet about this on TwitterShare on FacebookShare on Google+Email this to someone

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *